Header
Categorie
Zoeken

De herkomst van het Nederlandse woord 'fiets' is onduidelijk. Het artikel in het Woordenboek der Nederlandsche taal, geschreven in 1919, geeft twee etymologieën. Ten eerste zou het woord afgeleid zijn van de naam van een Wageningse wagenmaker, E.C. Viets, die rond 1880 rijwielen maakte. Deze voor de hand liggende verklaring werd van de hand gewezen, toen bleek dat het woord sinds 1870-1879 in Nederland voorkwam (hoewel het toen niet gebruikelijk was). Een tweede verklaring is dat het een verbastering is van het wat lange en lastig uit te spreken Franse 'vélocipède'. Tussenvormen als 'fielsepee' kwamen bijvoorbeeld in Twente voor.

Andere verklaringen zijn gezocht, maar voor deze geldt wat Ewoud Sanders indertijd schreef: "De herkomst van het woord fiets laat zich in twee woorden samenvatten: 'etymologie onbekend'." [1]


In bijna alle andere talen gebruikt men afleidingen van het Franse 'vélocipède' of het Engelse 'bicycle'. In het Frans zijn zowel 'vélo' als 'bicyclette' bekend. Het Nederlandse 'fiets' is ook bekend in het Afrikaans en (informeel) in het noorden van Duitsland.

In Nederland was 'rijwiel' aanvankelijk de officiële term. In 1966 werd dit in de wetgeving vervangen door 'fiets', dat al sinds het begin van de eeuw in de volksmond het normale woord was. Niemand zal tegenwoordig nog het woord 'rijwiel' gebruiken, maar in combinaties als 'rijwielpad' en 'rijwielstalling' komt het oude woord nog vaak voor. Een rijwiel is echter niet precies hetzelfde als een fiets: de wetgeving kende tot 1966 rijwielen met en zonder hulpmotor, bromfietsen en fietsen dus, terwijl een fiets nooit een motor heeft

Informatie

Welkom bij droomfietsen.nl

Voor iedereen een droomfiets





 
 

Welkom